OpenSolaris aan de globalisatie

Globalisatie staat altijd in een kwaad daglicht door wat bedrijven en overheden doen uit naam van globalisatie, maar er zit ook een mooie kant aan globalisatie. Een kant waaraan open source projecten al jaren werken en waarmee wordt gepronkt. Een kant waardoor er nog maar een versie van een applicatie is met verschillende bestanden voor lokalisatie van de taal in de applicatie, hoe getallen worden weergegeven, meeteenheden en ga zo maar door. Mensen in een ander taalgebied kunnen met een vertaling dus in een keer een applicatie bereikbaar maken voor mensen die bijvoorbeeld geen Engels spreken.

Grote open source projecten zoals GNOME, KDE, GNU, Mozilla en OpenOffice.org hebben op dit moment al meer dan 150 vertalingen waardoor een groot aantal gebruikers op de ze wereld bijna probleemloos toegang kunnen krijgen tot applicaties. Leveranciers zoals Redhat, Novell en Ubuntu is dit ook niet ontgaan en sommige proberen hier duidelijk voordeel bij te hebben zoals Ubuntu. Maar ook in de commerciele wereld is deze vorm van globalisatie geen onbekende en partijen zoals Microsoft, Apple en Google leveren ook vertalingen van hun software cq diensten aan in deze vorm.

Globalisatie was Sun Microsystems ook niet ontgaan wat duidelijk te zien is hoever Java nu al is en wat er voor de volgende release van Java nog op de roadmap staat. Maar Solaris was een beetje het ondergeschoven kindje tot nu op het gebied van globalisatie. Bij de volgende release in mei van project Indiana wordt g11n duidelijk op de kaart gezet als aandachtspunt. Sun lijkt hiermee dus een statement te willen maken over hoe ze tegen Linux en de wereld aankijken door hun kroonjuweel zo lijnrecht tegenover Linux te plaatsen in landen waar Linux redelijke voet aan de grond heeft. Hiermee lijkt de volgende versie van Solaris net z’n verandering te worden als Solaris 10 al was.